+31 (0)20 - 572 71 90 +31 (0)20 - 572 71 99 info@boontjeadvocaten.nl
Boontje Advocaten || Arbeidsrecht Plus

ActueelGeheimhoudingsverplichting: hoe ver gaat die voor OR-leden?

 

Rechtbank Midden-Nederland 20 juli 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4080

In deze zaak wordt een  werknemer, tevens OR-lid ervan beschuldigd de geheimhoudingsverplichting als verwoord in art. 20 WOR te hebben overtreden. Werknemer is als tweede apotheker werkzaam binnen een flexpool, van waaruit hij voor meerdere apotheken werkzaam is voor een niet bij name genoemde vennootschap (“Y”). Werknemer is niet alleen OR-lid, maar ook lid van de landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband (“LAD”), een partij van werkgeverszijde bij de CAO voor apothekers in loondienst. Tijdens zijn dienstverband doet werknemer meerdere malen vergaande mededelingen aan de achterban. Opmerkelijk is dat hij daarbij niet zozeer als spreekbuis van de OR (als orgaan) optreedt, maar veeleer uit eigen naam lijkt te handelen (gezien de meerdere “petten” die hij op heeft: werknemer, OR-lid/voorzitter en LAD-lid). De mededelingen zien onder meer op de cao-onderhandelingen in het licht van de arbeidsvoorwaarden, de inhoud van een instemmingsaanvraag, de onderlinge strubbelingen binnen de OR (details over een mediationtraject) en zijn persoonlijke mening en kritiek op de bestuurder.

In deze procedure verzoekt Y om ontbinding van de arbeidsovereenkomst vanwege (primair) verwijtbaar handelen en (subsidiair) een verstoorde arbeidsverhouding. Y stelt ter motivering dat werknemer zijn geheimhoudingsverplichting heeft geschonden, door vertrouwelijke informatie mee te delen aan collega apothekers. Y stelt dat dit verzoek geen verband houdt met het opzegverbod voor OR-leden. Werknemer verweert zich. Hij stelt dat de gedeelde informatie openbaar was en dat het binnen de onderneming gebruikelijk is dat de OR in een nieuwsbrief aangeeft dat een instemmingsaanvraag is ingediend. Ook voert hij aan dat hij nieuwsberichten verspreid vanuit zijn rol bij de LAD, welke vooraf met de LAD zijn afgestemd. Tot slot doet hij een beroep op het opzegverbod.

De kantonrechter wijst het verzoek op beide gronden af. Hij stelt de vraag of de verdergaande mededelingen van werknemer ontoelaatbaar zijn. Hij beantwoord deze vraag aan de hand van de door Y genoemde overtreding van de geheimhoudingsverplichting (art. 20 WOR), de dringende reden (art. 7:678 BW) en de strijd met het goed werknemerschap (art. 7:611 BW). Van een overtreding van de geheimhoudingsverplichting is volgens hem geen sprake. Van een dringende reden of handelen in strijd met de verplichting van goed werknemerschap is volgens de rechter evenmin sprake. Tot slot merkt de rechter op dat het opzegverbod wel van toepassing is. Om de onafhankelijkheid en kritische houding van (leden van) de OR mogelijk te maken, kan deze ontslagbescherming alleen ingeval van zwaarwichtige redenen opzij gezet worden.

Commentaar

De geheimhoudingsverplichting ziet op alle zaken- en bedrijfsgeheimen waarvan OR-leden hadden moeten begrijpen dat zij geheim moeten worden gehouden. Daarnaast is de verplichting van toepassing als deze uitdrukkelijk ten aanzien van bepaalde gegevens is opgelegd. De kantonrechter heeft dan ook eerst vastgesteld dat de mededelingen van werknemer niet zagen op zaken- of bedrijfsgeheimen. Nu Y vervolgens erkend heeft dat geheimhouding evenmin specifiek was opgelegd, heeft de rechter terecht geoordeeld dat art. 20 WOR niet overtreden is. Deze erkenning van Y bevreemdt overigens wel, gezien de vertrouwelijke aard van mediation.

Nu geen sprake is van een overtreding van de specifieke geheimhoudingsnorm, kan volgens de rechter ook niet snel aangenomen worden dat wel sprake is van een overtreding van de algemene norm van goed werknemerschap. Desondanks merkt de rechter op dat een “goed werknemer” in beginsel tegenover zijn werkgever gehouden is tot discretie en loyaliteit. Volgens de rechter is dan ook voorstelbaar dat de wijze van communiceren naar zijn aard bijzonder kwalijk is en/of geheel los staat van het OR-lidmaatschap en daarom kwalificeert als een schending van voornoemde discretie en loyaliteit. Nu Y dienaangaande onvoldoende heeft gesteld, wordt zijn vordering afgewezen. De rechter merkt tot slot op dat art. 13 WOR in dit geval wel soelaas had kunnen bieden, nu dit Y en/of de OR de mogelijkheid biedt om een verzoek in te dienen tot uitsluiting van een OR-lid van alle of bepaalde werkzaamheden (bron: OR-Informatie oktober 2016).

Carola Meyer-de Swaan

 

Actueel

30/07/2019

Lancering Lexalyse van LexIQ in samenwerking met Erasmus School of Law en Boontje Advocaten

LexIQ lanceert met Lexalyse baanbrekende AI-software voor juristen Lees meer
01/07/2019

Danny Vesters benoemd tot partner

Danny Lees meer
23/05/2019

Werkgever moet arbeidstijd registreren

Het Hof van Justitie EU heeft op 14 mei 2019 geoordeeld dat werkgevers verplicht zijn een systeem Lees meer
06/05/2019

Signalering 2019

  • Verruiming geboorteverlof: per 1 januari 2019 is de Wet Invoering Extra Geboorteverlof Lees meer

Quote

 
Delen op